4j. Scheurvorming in houtconstructies
Scheuren zijn tot op zekere hoogte normaal bij alle houtconstructies. Tijdens de bouw neemt het hout vocht op, dat geleidelijk moet worden verwijderd om het evenwichtsvochtgehalte te bereiken dat zal bestaan tijdens het latere gebruik (zie ook het document “Constructieve Veiligheid van Houtconstructies“, Fase Gebruik). Hierbij krimpt het hout en kunnen scheuren ontstaan, die in de meeste gevallen niet of nauwelijks van invloed zijn op de constructieve veiligheid.
Ongeacht de oppervlaktekwaliteit, mogen scheurdiepten bij gelamineerde houten onderdelen maximaal 1/8 van de doorsnede bedragen. Bij diepere scheuren moet de veiligheid door een deskundige worden gecontroleerd. Het gaat hierbij om scheurdiepten die gemeten zijn met een 0,1 mm dikke voelermaat. Als er sprake is van directe weersinvloeden, hevige klimaatschommelingen of zeer brede doorsnedes (>20 cm) neemt het risico op scheurvorming toe. Ook op plaatsen waar liggers door muren tussen verschillende ruimten gaan of waar ze zijn blootgesteld aan verschillende klimaatzones (bijvoorbeeld buiten en binnen) neemt het risico toe.
Ga bij het onderzoeken van scheuren als volgt te werk:
- Markeer de uiteinden van de scheuren met een potlood en schrijf de datum erbij, om hun toekomstige ontwikkeling in kaart te brengen.
- Meet de maximale scheurdiepte met een voelermaat van 0,1 mm.
- Schakel bij scheuren met een diepte van meer dan 90 mm een expert in.
- Bepaal ter hoogte van de scheuren het houtvochtpercentage op verschillende dieptes.
- Documenteer de exacte plaats, lengte en diepte van de scheuren en de houtvochtigheid van de aangrenzende lamellen op verschillende dieptes (bijvoorbeeld 10, 20 en 40 mm).